zaterdag 15 februari 2014

Uit de oude doos 2. De denkstructuur van de staat en de gegoeden na de 16e eeuw en de oorsprong van het denken over verplichte arbeid voor armen.

Wie de literatuur bestudeerd over gemarginaliseerden in de samenleving stuit al gauw op een bepaalde denkstructuur van de gegoede burgers en de staat  die zich in de loop der eeuwen ontwikkeld heeft en die tot op de dag van vandaag overheersend is. Sommige elementen uit die denkstructuur stammen al uit de middeleeuwen, maar vooral na de 16e eeuw heeft die denkstructuur zich in fasen ontwikkeld. Ik maak bij dit overzicht gebruik van: W.H. Nagel. ‘Het werkschuwe tuig’ Landlopers en bedelaars in de geschiedenis. Samson kriminologische cahiers 2. 1977. Alphen aan den Rijn. Bij de denkstructuur van de gegoeden en de staat kunnen de volgende aspecten in ieder geval worden genoemd:

Het maken van onderscheid tussen gemarginaliseerden  die geholpen moeten worden en degenen die gestraft en/ of buitengesloten moeten worden. Dit aspect heeft weer 2 subaspecten:
a.       Het maken van een administratief onderscheid tussen  ‘legale’ gemarginaliseerden die over de juiste papieren beschikken en de ‘illegalen’ die niet over die papieren beschikken. Dit aspect komt natuurlijk tot uiting in het huidige vreemdelingenbeleid, maar blijkt al heel oud te zijn. Het oudst bekende boek over landlopers en bedelaars is het Liber Vagatorum, dat voor het eerst verscheen in 1509. (Van dit boek is in 1932 een Herdruk verschenen. ‘Liber Vagatorum’The book of Vagabonds and Beggars with a vocabulary of their language and preface by Martin Luter, first translated into English by J.C. Hotten and now edited anew by D.B. Thomas, Londen 1932. )
gravure met bedelaars
Het voorwoord van Luther verschijnt voor het eerst in de uitgave van 1528. Van het boek is overigens ook in 1613 een Nederlandse vertaling verschenen. Luther eindigt zijn voorwoord met de aanbeveling dat iedere stad of dorp zijn eigen armen op een lijst moet hebben en hen moet kennen en verzorgen, maar de zwervende paupers die geen goede licenties en paspoorten hebben moet weren. Dit principe komt niet alleen tot uiting in het huidige vreemdelingen beleid, maar wordt ook in wat afgezwakte vorm weerspiegeld in een van de basisprincipes van de bijstandswet: de wet wordt uitgevoerd door gemeenten en alleen wie kan aantonen inwoner van een gemeente te zijn, ingeschreven in het bevolkingsregister van de gemeente, kan in die gemeente in principe in aanmerking komen voor bijstand. Daklozen, die niet kunnen aantonen hun hoofdverblijf in een bepaalde gemeente te hebben, behoren niet tot de lokale gemeenschap van gesedenteerden en komen in die gemeente niet in aanmerking voor bijstand. Men heeft dit probleem in de bijstandswet opgelost door een aanvullende maatregel. Er zijn 20 gemeenten in Nederland aangewezen die een dakloze ook een uitkering moeten verstrekken als de dakloze in feite niet in die gemeente slaapt. Maar dit is een uitzondering op de regel, dat de lokale gemeenschap niet hoeft te zorgen voor mensen, die niet tot die gemeenschap behoren.
b.      Een onderscheid tussen mensen, die het ‘echt’ nodig hebben en mensen die dat niet hebben. Dit is een ander onderscheid dan het bovenstaande, want op basis van dit onderscheid kunnen mensen die bij het bovenstaande onderscheid buiten de boot vallen, promoveren van vreemdelingen, die geen geldige licenties en paspoorten hebben naar gelegaliseerden. Degenen, die onder de definitie ‘heeft het niet echt nodig’ vallen worden zwaar gestraft. Hierbij is de introductie van het begrip ‘schuld’ belangrijk. Er zijn behoeftigen die buiten hun schuld niet kunnen werken en degenen, die dat wel kunnen. De laatste worden zwaar gestraft. In Engeland zijn die straffen vooral ingevoerd, in een tijd dat het feodalisme in ontbinding verkeerde. Maar reeds in 1349 was er in Engeland een vagrancy statute tegen werkloze zwervers. Niemand mocht die zwervers, op straffe van gevangenisstraf, wat geven. Vooral in de loop van de 16e eeuw worden deze wetten steeds strenger. In 1571 wordt de brandmerking van zwervers ingevoerd.

In de moderne tijd wordt enerzijds uitgegaan van  de oude zienswijze die in de 16e eeuw voor het eerst naar voren kwam, waarbij gemarginaliseerden werden gezien als mensen met een gebrek, lijntrekkers, profiteurs.  Anderzijds heeft zich bij de opbouw van de verzorgingsstaat een betoog ontwikkeld, waarbij werkloosheid, armoede, werd gezien als een door maatschappelijke en economische ontwikkelingen ontstaan collectief risico, dat je dus ook collectief moet oplossen door het invoeren van verzekeringen. Deze twee standpunten werden verwerkt in het stelsel van sociale zekerheid. Er werd een onderscheid gemaakt tussen de bonafide werklozen en de lijntrekkers en profiteurs. Alle nationale verzorgingsstaten zijn georganiseerd volgens een twee sporen model: naast sociale verzekeringen op grond van arbeidsverleden staat een bijstandstraject op minimaal niveau. De mensen op dit traject worden meestal onderworpen aan een veel harder regime van controle en discipline. Zij moeten niet alleen ondersteund, maar ook gedisciplineerd en gemoraliseerd worden.

Belangrijk bij de definiering van verdachte personen, vagebonden, zwervers, bedelaars, daklozen, of anderen die als marginaal worden beschouwd is, of je –als je door een gesedenteerde gemeenschap ter verantwoording geroepen wordt- je kunt aantonen waar je de afgelopen tijd van hebt geleefd, hoe je inkomen hebt gegenereerd, dan wel aan voedsel bent gekomen. Mensen die dat niet kunnen of willen aantonen zijn niet alleen verdacht, ze moeten worden gestraft, verbannen, of opgesloten worden. Maar ze hebben in principe geen rechten die de andere burgers van de gemeenschap wel hebben. Dit principe komt ook in de huidige bijstandswet tot uiting, of althans in het beleid dat gemeenten op basis van die wet voeren.

Het criminaliseren van gemarginaliseerden. De zogenaamde vagrancy laws in Engeland in de loop van de 16e eeuw zijn een verschuiving in de definitie van zwervers, vagebonden en andere gemarginaliseerden. In de middeleeuwen waren de maatregelen erop gericht, dat de feodale landheren over voldoende werkvolk beschikten, zwervers mochten zich niet aan dat werk onttrekken, maar voor de rest vormden de zwervers en daklozen vooral een ergernis. In de 16e eeuw kwam in de wetgeving de notie op, dat straffen ook gerechtvaardigd zijn omdat ze nog crimineel zijn ook.

Op de achtergrond speelt het uitgangspunt, dat niet teveel mensen zich mogen onttrekken aan arbeid voor de machtigen en rijken. Er moet een beleid worden ontwikkeld om dat tegen te gaan. Zoals ik al zei, bestond dit principe in de middeleeuwen al. De feodale landheren moesten voldoende werkvolk hebben. In de 16e eeuw is ook het doel dat de strafbedreigingen de landheren van goedkoop werkvolk verzekeren. Maar in die eeuw is nieuw, dat het principe van de straf voor ‘degenen die het niet echt nodig hebben’ verschuift van straffen zonder meer (brandmerken, handen afhakken, etc.) naar de al genoemde criminalisering en straffen verbonden met de invoering van dwangarbeid.
De eerste man, die in Nederland deze draai maakte is Coornhert, die in 1587 een boek schreef dat een mijlpaal en een omslag is in het denken over hoe om te gaan met armen. D.V. Coornhert. Boeventucht (ofte Middelen tot mindering der schadelyke ledighghanghers)

Eerste druk: 1587 in Amsterdam.  Motto: Exodus 22. Opnieuw uitgegeven, vertaald en van commentaar voorzien door Arie-Jan Gelderblom, Marijke Meijer Drees en een werkgroep van Utrechtse Neerlandici in het jaar 1985.

In een volgend artikel zal ik ingaan op de ideen van Coornhert, die in de 16e eeuw nieuw waren. Op deze pagina kunt u meer vinden over Coornhert.

Piet van der Lende

Geen opmerkingen:

Een reactie posten